Kansexperimenten
Gooi een muntstuk op. Niemand kan zeggen of het ‘munt’ wordt. Maar gooi je heel vaak, dan is ongeveer de helft ‘munt’. We zeggen: de kans op munt is 1 op 2.
Eén worp kun je niet voorspellen. Veel worpen samen wel, ongeveer:
Dobbelsteen
6000 keer gooien
± 1000keer een ‘drie’
Kaarten
1300 keer een kaart trekken uit 52
± 100keer een aas
Baby’s in België
Van alle pasgeboren baby’s is
51,13 %een jongen
Eén keer proberen leert weinig. Heel vaak proberen leert veel. Daarvoor hebben we wel afspraken en woorden nodig.
Kansrekenen begon met dobbelen. In 1654 schreef ridder de Méré, een gokker, een brief aan Blaise Pascal. Pascal besprak het met Pierre de Fermat. Zo begon de kansrekening.
De Méré won geld met deze wedstrijd: ‘Ik gooi 4 keer met één dobbelsteen en krijg minstens één zes.’ Hij verloor geld met: ‘Ik gooi 24 keer met twee dobbelstenen en krijg minstens één dubbele zes.’ Hij dacht dat beide even goed waren. Zijn rekening was fout: \(4 \cdot \tfrac{1}{6} = \tfrac{2}{3}\) en \(24 \cdot \tfrac{1}{36} = \tfrac{2}{3}\). Zo werkt het niet.
Ook de oude Grieken dobbelden. Zeus, Poseidon en Hades dobbelden om het heelal. Op een oude amfora in een museum in Vaticaanstad zie je Achilles en Ajax dobbelen.
Uitkomst en uitkomstenverzameling
Eén dobbelsteen
\(U = \{1, 2, 3, 4, 5, 6\}\)
\(\#U = 6\)Eén muntstuk
\(U = \{k, m\}\)
k = kruis, m = munt
Twee dobbelstenen
\(U = \{(1,1); (1,2); \ldots ; (6,6)\}\)
\(\#U = 36\)Gebeurtenissen
Iemand krijgt 3 euro als hij een even getal gooit. Hij kijkt dus naar \(\{2, 4, 6\}\). Dat stuk van U noemen we een gebeurtenis.
Een gebeurtenis is een deel van U. We schrijven ze met een hoofdletter: A, B, C … Dus \(A \subset U\).
- A: even aantal ogen \(\Rightarrow A = \{2, 4, 6\}\)
- B: een kwadraat \(\Rightarrow B = \{1, 4\}\)
- C: een priemgetal \(\Rightarrow C = \{2, 3, 5\}\)
Bij één dobbelsteen zijn er in totaal \(2^6 = 64\) gebeurtenissen.
Als je 2 gooit, dan is \(2 \in A\). We zeggen: A treedt op of A wordt gerealiseerd.
Bijzondere gebeurtenissen
Zekere gebeurtenis
U zelf. Die komt altijd uit. Bij een dobbelsteen krijg je altijd 1 tot 6.
Onmogelijke gebeurtenis
De lege verzameling \(\varnothing\). Die komt nooit uit. Bijvoorbeeld: een zeven gooien.
Elementaire gebeurtenis
Eén enkele uitkomst. Bij een dobbelsteen: \(\{1\}, \{2\}, \ldots, \{6\}\). Dat zijn er 6.
Afgeleide gebeurtenissen
Je kunt twee gebeurtenissen A en B combineren.
| Naam | Teken | Betekenis | A = {2,4,6}, B = {1,4} |
|---|---|---|---|
| Doorsnede | \(A \cap B\) | A en B gebeuren beide | \(\{4\}\) |
| Vereniging | \(A \cup B\) | A of B (of beide) | \(\{1, 2, 4, 6\}\) |
| Verschil | \(A \setminus B\) | A wel, B niet | \(\{2, 6\}\) |
| Verschil | \(B \setminus A\) | B wel, A niet | \(\{1\}\) |
| Complement | \(\overline{A}\) | A gebeurt niet | \(\overline{A} = \{1, 3, 5\}\), \(\overline{B} = \{2, 3, 5, 6\}\) |
Kies zelf welke uitkomsten in A zitten (blauw) en welke in B (groen). Onderaan zie je de afgeleide gebeurtenissen.
Merk op: \(\overline{U} = \varnothing\) en \(\overline{\varnothing} = U\).
Relatieve frequentie en kans
Voor de ramp van 1953 waren de dijken in Nederland zo hoog dat zo’n ramp gemiddeld 1 keer in 300 jaar kon gebeuren. Na de Deltawerken is dat 1 keer in 10 000 jaar. Ingenieurs rekenen dit uit met kansen uit metingen. Dat heten empirische kansen.
a Relatieve frequentie
Aan 1200 leerlingen van het vijfde jaar werd gevraagd hoe vaak per dag ze iets posten.
| Posts per dag | Aantal leerlingen \(n_A\) | Relatieve frequentie \(f_A\) |
|---|---|---|
| 0 | 168 | 0,14 |
| 1 | 312 | 0,26 |
| 2 | 360 | 0,30 |
| 3 | 216 | 0,18 |
| 4 | 72 | 0,06 |
| 5 | 36 | 0,03 |
| 6 | 36 | 0,03 |
| totaal | 1200 = n | 1 |
Kies willekeurig een leerling. Kans dat die 0 keer post: \[ P(\text{0 posts}) = \frac{168}{1200} = 0{,}14 = 14\,\% \]
Kans dat die maximaal 2 keer post: \[ P(\text{max. 2 posts}) = \frac{168 + 312 + 360}{1200} = \frac{840}{1200} = 70\,\% \]
b Kans op een gebeurtenis
De kans op een gebeurtenis is hier gewoon de relatieve frequentie. Je kunt ze tekenen in een kanshistogram. De som van alle kansen is 1.
posts per dag
c Kans schatten door vaak te proberen
Annelies gooit 10 keer. Ze krijgt 3 keer munt en 7 keer kruis. ‘Onmogelijk, die munt is niet zuiver!’ zegt ze. Haar klasgenoten gooien veel vaker:
| aantal worpen | 100 | 150 | 200 | 250 | 300 | 350 | 400 | 450 | 500 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| keer munt | 41 | 83 | 108 | 117 | 143 | 182 | 186 | 230 | 246 |
Hoe vaker je gooit, hoe dichter de relatieve frequentie bij 0,5 komt. Dus \(P(\text{munt}) = P(\text{kruis}) = 0{,}5\).
Klik en kijk hoe de relatieve frequentie naar 0,5 kruipt. Met weinig worpen kan het nog fel afwijken, net zoals bij Annelies.
Voorbeeld 2: kaarten
1300 keer trekken geeft ongeveer 100 azen: \(\frac{100}{1300} = \frac{1}{13}\). Dat klopt ook door symmetrie: \(\frac{4}{52} = \frac{1}{13}\).
Voorbeeld 3: één dobbelsteen
Elke kant heeft kans \(\frac{1}{6}\). Een computersimulatie met 60 en 8000 worpen laat zien dat alle staafjes even hoog worden.
Voorbeeld 4: twee dobbelstenen
Neem de som van de ogen. Er zijn 11 uitkomsten (2 tot 12). Niet elke som is even waarschijnlijk. Som 7 komt het meest voor.
De rode streepjes zijn de echte kans. Kijk hoe de staafjes er naartoe groeien. Schakel om naar de vervalste dobbelsteen uit deel 7 en zie het verschil.
Uniforme kansverdeling: de wet van Laplace
Heeft U \(n\) uitkomsten die allemaal even waarschijnlijk zijn? Dan heeft elke uitkomst kans \(\frac{1}{n}\). Alle kansen samen zijn 1:
\(P(A)\) lees je als: de kans van A.
Gevolgen:
- \(P(U) = 1\) en \(P(\varnothing) = 0\)
- Elke kans ligt tussen 0 en 1: \(0 \leq P(A) \leq 1\)
Het rooster toont alle 36 uitkomsten. Klik op een som en zie welke uitkomsten gunstig zijn.
Waar vind je uniforme verdelingen?
- een zuivere dobbelsteen gooien
- een knikker uit een vaas trekken
- een zuiver muntstuk opgooien
- de hoofdprijs van een tombola trekken
- een nummer bij eerlijk roulette
- een stuk uit een voorraad kiezen voor controle
- een proefpersoon uit een lijst aanwijzen
- een kaart uit een goed geschud spel trekken
Enkele toepassingen op de wet van Laplace
Deelbaar door 3
Eén dobbelsteen. \(A = \{3, 6\}\), dus \(\#A = 2\) en \(\#U = 6\).
\(P(A) = \frac{2}{6} = \frac{1}{3}\)Som is 6
Twee dobbelstenen, \(\#U = 36\). \(A = \{(1,5); (2,4); (3,3); (4,2); (5,1)\}\), dus \(\#A = 5\).
\(P(A) = \frac{5}{36}\)Rode knikker
Vaas met 3 rode en 7 witte knikkers. \(\#A = 3\), \(\#U = 10\).
\(P(A) = \frac{3}{10} = 30\,\%\)Laplace werd geboren op 23 maart 1749 in Normandië, als zoon van een landbouwer. In 1769 werd hij wiskundeleraar aan de militaire school in Parijs. Napoleon Bonaparte was daar zijn leerling (1784 en 1785). In 1794 werd hij professor aan de École Polytechnique. In 1799 maakte Napoleon hem minister van Binnenlandse Zaken. In 1812 schreef hij het boek Théorie Analytique des probabilités, met alles over kansrekenen tot dan. Hij vond dat kansrekenen eigenlijk gezond verstand is, omgezet in cijfers. Hij stierf op 5 maart 1827, precies 100 jaar na Newton.
Niet-uniforme kansverdeling
Laplace werkt niet meer als de uitkomsten niet even waarschijnlijk zijn. Dan moet je tellen hoe vaak iets gebeurt.
Eén kant is verzwaard. We gooien 1500 keer en tellen de zessen.
\(f = 0{,}3667\)
\(f = 0{,}3433\)
\(f = 0{,}3347\)
In het begin schommelt het sterk. Daarna blijft het hangen rond 0,33. Dus \(P(\text{zes}) \approx \frac{1}{3}\).
De volledige kansverdeling van deze dobbelsteen:
| uitkomst \(u_i\) | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| kans \(P(u_i)\) | \(\frac{1}{9}\) | \(\frac{5}{36}\) | \(\frac{5}{36}\) | \(\frac{5}{36}\) | \(\frac{5}{36}\) | \(\frac{1}{3}\) |
Kant 1 is lichtjes verzwaard: 1 komt minder vaak, de overkant 6 komt vaker. Som van alle kansen = 1.
Kans op minstens 2 ogen:
Hoeveel procent wordt afgekeurd? Dat hangt af van hoe groot je reeks is:
Reeksen van 25
tussen
0 % en 16 %Reeksen van 250
tussen
3,2 % en 8,8 %Reeksen van 2500
tussen
5,4 % en 6,4 %Grotere reeks = stabielere waarde. De ware waarde ligt bij 6 %. Dus de kans op een afgekeurd object is 0,06.
Besluiten
- Experimentele wet van de grote aantallen: hoe meer experimenten, hoe minder de relatieve frequentie nog verandert.
- Kans op een gebeurtenis: bij een niet-uniforme verdeling is de kans het getal waar de relatieve frequenties rond schommelen na heel veel herhalingen.
- Kansverdeling: de som van alle kansen is 1. De kans van \(A \neq \varnothing\) is de som van de kansen van de uitkomsten in A.
- Wanneer gebruik je deze methode? Bij een vervalste dobbelsteen of verbogen muntstuk. Bij defecte gloeilampen. Bij treinen en bussen op tijd. Bij een duimspijker die op 2 manieren kan vallen.
Statistisch bepalen van kansen
Veel mensen denken: 0,5. Maar de statistiek zegt anders. In Vlaanderen:
Meisje
48,87 %\(P = 0{,}4887\)
Jongen
51,13 %\(P = 0{,}5113\)
a Wordt een pasgeboren jongen 80? En een meisje?
b Wie wordt eerder 100: een meisje van 16 of een vrouw van 80? De vrouw van 80 is al een eind onderweg en heeft dus meer kans.
c Wordt een jongen van 16 géén 65?
Deze kansen veranderen met de tijd. Door betere geneeskunde steeg de levensverwachting in België in de twintigste eeuw met meer dan 40 %. En het gaat over ‘gemiddelde Belgen’. Rook je? Dan zakt je levensverwachting een heel stuk.
Van 1 miljoen baby’s zegt de kolom \(L_x\) hoeveel er nog leven op leeftijd \(x\). Meer moet je niet weten.
Dat is gewoon Laplace: gunstige (leven nog op b) gedeeld door mogelijke (leefden nog op a). Vraag ‘wordt niet b’? Dan \(1 - \frac{L_b}{L_a}\) (complementregel).
Stappenplan voor de toets
De echte tafels uit het boek (cijfers 2021, FOD Economie) zitten hierin. Kies en kijk hoe de berekening loopt. Doe het daarna zelf met de papieren tafel.
Toon de tafels (alleen kolom L)
| x | L |
|---|---|
| 0 | 1 000 000 |
| 1 | 996 722 |
| 2 | 996 404 |
| 3 | 996 191 |
| 4 | 996 046 |
| 5 | 995 935 |
| 6 | 995 827 |
| 7 | 995 751 |
| 8 | 995 677 |
| 9 | 995 559 |
| 10 | 995 486 |
| 11 | 995 443 |
| 12 | 995 358 |
| 13 | 995 344 |
| 14 | 995 272 |
| 15 | 995 097 |
| 16 | 994 950 |
| 17 | 994 695 |
| 18 | 994 436 |
| 19 | 993 960 |
| 20 | 993 490 |
| 21 | 993 104 |
| 22 | 992 576 |
| 23 | 992 122 |
| 24 | 991 789 |
| 25 | 991 348 |
| 26 | 990 840 |
| 27 | 990 269 |
| 28 | 989 671 |
| 29 | 988 918 |
| 30 | 988 301 |
| 31 | 987 737 |
| 32 | 987 028 |
| 33 | 986 249 |
| 34 | 985 437 |
| 35 | 984 724 |
| 36 | 983 672 |
| 37 | 982 908 |
| 38 | 981 896 |
| 39 | 980 806 |
| 40 | 979 710 |
| 41 | 978 219 |
| 42 | 976 922 |
| 43 | 975 340 |
| 44 | 973 671 |
| 45 | 971 895 |
| 46 | 969 874 |
| 47 | 967 741 |
| 48 | 965 908 |
| 49 | 963 133 |
| 50 | 960 711 |
| 51 | 957 936 |
| 52 | 954 654 |
| 53 | 951 154 |
| 54 | 947 491 |
| 55 | 943 136 |
| 56 | 938 342 |
| 57 | 933 415 |
| 58 | 927 964 |
| 59 | 921 648 |
| 60 | 914 994 |
| 61 | 907 490 |
| 62 | 899 083 |
| 63 | 890 421 |
| 64 | 880 849 |
| 65 | 870 382 |
| 66 | 858 636 |
| 67 | 845 047 |
| 68 | 831 303 |
| 69 | 817 343 |
| 70 | 801 957 |
| 71 | 783 803 |
| 72 | 765 703 |
| 73 | 746 689 |
| 74 | 726 420 |
| 75 | 703 961 |
| 76 | 679 850 |
| 77 | 654 983 |
| 78 | 629 280 |
| 79 | 600 544 |
| 80 | 571 123 |
| 81 | 540 552 |
| 82 | 507 867 |
| 83 | 471 701 |
| 84 | 437 028 |
| 85 | 400 560 |
| 86 | 363 385 |
| 87 | 324 626 |
| 88 | 286 091 |
| 89 | 249 480 |
| 90 | 212 517 |
| 91 | 177 911 |
| 92 | 144 888 |
| 93 | 116 133 |
| 94 | 90 276 |
| 95 | 68 135 |
| 96 | 49 880 |
| 97 | 36 072 |
| 98 | 24 920 |
| 99 | 16 055 |
| 100 | 10 251 |
| 101 | 5 894 |
| 102 | 3 348 |
| 103 | 2 096 |
| 104 | 1 679 |
| 105 | 1 076 |
| x | L |
|---|---|
| 0 | 1 000 000 |
| 1 | 997 457 |
| 2 | 997 213 |
| 3 | 997 077 |
| 4 | 996 875 |
| 5 | 996 792 |
| 6 | 996 744 |
| 7 | 996 680 |
| 8 | 996 633 |
| 9 | 996 556 |
| 10 | 996 495 |
| 11 | 996 450 |
| 12 | 996 346 |
| 13 | 996 316 |
| 14 | 996 226 |
| 15 | 996 165 |
| 16 | 996 041 |
| 17 | 995 946 |
| 18 | 995 834 |
| 19 | 995 673 |
| 20 | 995 513 |
| 21 | 995 280 |
| 22 | 995 096 |
| 23 | 994 868 |
| 24 | 994 645 |
| 25 | 994 370 |
| 26 | 994 241 |
| 27 | 994 085 |
| 28 | 993 795 |
| 29 | 993 449 |
| 30 | 993 189 |
| 31 | 992 829 |
| 32 | 992 570 |
| 33 | 992 140 |
| 34 | 991 760 |
| 35 | 991 349 |
| 36 | 990 895 |
| 37 | 990 305 |
| 38 | 989 811 |
| 39 | 989 163 |
| 40 | 988 355 |
| 41 | 987 518 |
| 42 | 986 769 |
| 43 | 985 968 |
| 44 | 984 894 |
| 45 | 983 938 |
| 46 | 982 747 |
| 47 | 981 587 |
| 48 | 980 131 |
| 49 | 978 467 |
| 50 | 976 545 |
| 51 | 974 611 |
| 52 | 972 694 |
| 53 | 970 378 |
| 54 | 968 081 |
| 55 | 965 475 |
| 56 | 962 774 |
| 57 | 959 918 |
| 58 | 956 572 |
| 59 | 953 061 |
| 60 | 949 131 |
| 61 | 944 871 |
| 62 | 940 168 |
| 63 | 934 493 |
| 64 | 928 603 |
| 65 | 922 250 |
| 66 | 915 014 |
| 67 | 907 045 |
| 68 | 898 676 |
| 69 | 889 012 |
| 70 | 878 788 |
| 71 | 867 825 |
| 72 | 856 222 |
| 73 | 843 746 |
| 74 | 830 776 |
| 75 | 816 334 |
| 76 | 800 454 |
| 77 | 782 981 |
| 78 | 763 832 |
| 79 | 743 902 |
| 80 | 722 256 |
| 81 | 697 190 |
| 82 | 670 144 |
| 83 | 641 969 |
| 84 | 610 208 |
| 85 | 575 729 |
| 86 | 539 187 |
| 87 | 499 796 |
| 88 | 459 226 |
| 89 | 416 678 |
| 90 | 370 199 |
| 91 | 326 311 |
| 92 | 280 104 |
| 93 | 237 348 |
| 94 | 196 229 |
| 95 | 158 202 |
| 96 | 123 454 |
| 97 | 95 069 |
| 98 | 69 953 |
| 99 | 50 230 |
| 100 | 34 710 |
| 101 | 23 635 |
| 102 | 14 840 |
| 103 | 9 579 |
| 104 | 6 319 |
| 105 | 3 316 |
Oefen met de tafel
Doe deze met je papieren tafel. Klik dan op ‘Controleer’. (Deze vragen zijn van deze pagina, niet uit het boek.)
Controleer
\(P = \frac{914\,994}{994\,436} \approx 0{,}9201 = 92{,}01\,\%\)
Controleer
Kans om 90 te worden: \(\frac{370\,199}{988\,355} \approx 0{,}3746\). Dus géén 90: \(1 - 0{,}3746 = 0{,}6254 = 62{,}54\,\%\)
Controleer
Controleer
Kansen bepalen met boomdiagrammen
In het boek: kans op jongen 0,5113, kans op meisje 0,4887. Schuif de kans en zie de boom en de antwoorden veranderen. Zet hem op 0,5 voor de Taak uit het boek.
Bak met 3 witte, 4 zwarte en 3 rode knikkers. Je neemt er één, legt die niet terug, en neemt een tweede. Kans dat de tweede rood is? Drie takken zijn goed, dus we tellen op:
Even groot als de kans dat de eerste rood is. Toeval? Het boek vraagt om ook de kans op een rode derde knikker te berekenen en te vergelijken.
Annelies en Bert speelden 18 keer. Annelies won 9, Bert won 6, 3 keer remise. Ze spelen nog 3 partijen. Empirische kansen:
a Annelies wint alle 3:
b Twee partijen eindigen op remise (de derde wint Annelies óf Bert; de remises kunnen op 3 plaatsen staan):
c Bert wint minstens 1 keer. Gebruik de complementregel: 1 min de kans dat Bert nooit wint.
Voorbeeld 4: mét terugleggen
Vaas met 4 gele en 2 rode knikkers. Trek 3 keer, leg telkens terug. Precies 1 rode?
\(3 \cdot \frac{4}{27} = \frac{4}{9} \approx 44{,}4\,\%\)De trekkingen zijn onafhankelijk: elke keer dezelfde kansen \(\frac{2}{3}\) en \(\frac{1}{3}\).
Voorbeeld 5: zonder terugleggen
Zelfde vaas, maar niets terugleggen. Precies 1 rode?
\(\frac{1}{5} + \frac{1}{5} + \frac{1}{5} = \frac{3}{5} = 60\,\%\)De trekkingen zijn afhankelijk: na de eerste blijven er maar 5 knikkers over.
Je kiest 6 getallen van 1 tot 45. Zes balletjes rollen uit de trommel. Kans dat je alle 6 juist hebt? De volgorde telt niet. Eerste balletje goed: 6 van 45. Dan blijven er 44 over, waarvan 5 goed. En zo verder (productregel):
Jongeren onder 18 mogen niet gokken. Ook lotto kan verslavend zijn. Waarschuwingssignalen: je speelt langer dan gepland, je liegt over je gokken, je denkt altijd aan gokken.
In een ziekenhuis heeft 1 % van de patiënten kanker (K). De test (T) is positief bij 90 % van de mensen mét kanker, maar ook bij 5 % van de mensen zónder kanker. Iemand test positief. Kans dat hij echt kanker heeft?
Kans op een positieve test (twee takken): \(0{,}01\cdot 0{,}9 + 0{,}99\cdot 0{,}05\). Kans op kanker én positief: \(0{,}01 \cdot 0{,}9\). Dus:
Verrassend: de test is goed, maar slechts in 15,4 % van de positieve gevallen is er echt kanker. Dat komt omdat weinig mensen kanker hebben.
In Oetz zijn er 4 keer zoveel toeristen als bewoners (dus \(\frac{4}{5}\) toerist, \(\frac{1}{5}\) bewoner). 60 % van de toeristen draagt een tirolerhoed, 30 % van de bewoners ook. Je ziet iemand met een hoed. Kans dat het geen toerist is?
Kansen bepalen met venndiagrammen
In het boek: klas van 25. 8 hebben een bromfietsrijbewijs (BR), 4 een autorijbewijs (AU), 15 hebben geen van beide. Pas de getallen aan en zie hoe het diagram meebeweegt.
150 leerlingen. Wie speelt piano (P), gitaar (G), drum (D)? 10 spelen alle drie. 25 piano en gitaar, 20 gitaar en drum, 15 piano en drum. 50 piano, 65 gitaar, 25 drum. Met drie cirkels krijg je 8 gebieden. Je start in het midden en werkt naar buiten.
- Alle drie: \(\#(P \cap G \cap D) = 10\)
- Enkel piano en gitaar: \(25 - 10 = 15\). Enkel gitaar en drum: \(20 - 10 = 10\). Enkel piano en drum: \(15 - 10 = 5\).
- Enkel piano: \(50 - (15 + 10 + 5) = 20\). Enkel gitaar: \(65 - (15 + 10 + 10) = 30\). Enkel drum: \(25 - (5 + 10 + 10) = 0\).
- Geen instrument: \(150 - 90 = 60\).
a Minstens één instrument
\(\frac{90}{150} = \frac{3}{5}\)b Geen enkel instrument
\(\frac{60}{150} = \frac{2}{5}\)of \(1 - \frac{3}{5}\)
c Juist twee
\(\frac{5+15+10}{150} = \frac{1}{5}\)d Geen piano
\(\frac{60+30+10+0}{150} = \frac{2}{3}\)Kansen bepalen met kruistabellen
Komen leerlingen soms met de fiets (F) of nooit (\(\overline{F}\))? Per graad (G1, G2, G3):
| G1 | G2 | G3 | totaal | |
|---|---|---|---|---|
| F (soms) | 72 | 88 | 67 | 227 |
| \(\overline{F}\) (nooit) | 94 | 76 | 103 | 273 |
| totaal | 166 | 164 | 170 | 500 |
Een leerkracht spreekt een willekeurige leerling aan. Kans dat die …
soms fietst?
\(P(F) = \frac{227}{500} = 45{,}4\,\%\)in G2 zit?
\(P(G2) = \frac{164}{500} = 32{,}8\,\%\)in G3 zit en nooit fietst?
\(P(G3 \cap \overline{F}) = \frac{103}{500} = 20{,}6\,\%\)Elke deelnemer krijgt een kompas (K), stafkaart (S) of gps (G), én een zaklamp (Z) of walkietalkie (W). Klik op vakjes in de tabel. De kans is: gekozen vakjes gedeeld door 85.
| K | S | G | totaal | |
|---|---|---|---|---|
| Z | 32 | 15 | 13 | 60 |
| W | 16 | 6 | 3 | 25 |
| totaal | 48 | 21 | 16 | 85 |
Probeer deze uit het boek en controleer:
| vraag | rekening | kans |
|---|---|---|
| een stafkaart | \(P(S) = \frac{21}{85}\) | 24,7 % |
| een zaklamp | \(P(Z) = \frac{60}{85}\) | 70,6 % |
| walkietalkie én gps | \(P(W \cap G) = \frac{3}{85}\) | 3,5 % |
| geen kompas | \(P(\overline{K}) = \frac{21 + 16}{85} = \frac{37}{85}\) | 43,5 % |
| kompas óf gps | \(P(K \cup G) = \frac{48 + 16}{85} = \frac{64}{85}\) | 75,3 % |
| zaklamp én walkietalkie | \(P(Z \cap W) = \frac{0}{85}\) | 0 % |
| zaklamp óf stafkaart | \(P(Z \cup S) = \frac{32 + 15 + 13 + 6}{85} = \frac{66}{85}\) | 77,6 % |
| geen stafkaart, wel zaklamp | \(P(\overline{S} \cap Z) = \frac{32 + 13}{85} = \frac{45}{85}\) | 52,9 % |
Samenvatting
Twee soorten kansverdeling
Uniform
Alle uitkomsten even waarschijnlijk. Gebruik de wet van Laplace:
\(P(A) = \frac{\#A}{\#U}\)= gunstige / mogelijke uitkomsten
Niet-uniform
Niet even waarschijnlijk. De kans is het getal waar de relatieve frequentie \(f_A = \frac{n_A}{n}\) naartoe gaat bij heel veel herhalingen.
Som van alle kansen = 1. Kans van A = som van de kansen van de uitkomsten in A.
Vier manieren om kansen te berekenen
Oefeningen
Oefening 1. Telkens zijn A en B gegeven. Omschrijf de gevraagde gebeurtenis en bereken haar kans. Probeer eerst zelf, klik dan op ‘Controleer’. De uitwerkingen zijn van deze pagina, niet uit het boek.
\(A \cap B\) en \(P(A \cap B)\) \(A \cup B\) en \(P(A \cup B)\)
Controleer
\(A \cap B = \{4\}\): even én kwadraat. \(P = \frac{1}{6}\).
\(A \cup B = \{1,2,4,6\}\): even óf kwadraat. \(P = \frac{4}{6} = \frac{2}{3}\).
\(A \cap B\) en \(P(A \cap B)\)
Controleer
\(A \cap B = \{2\}\): het enige even priemgetal. \(P = \frac{1}{6}\).
\(A \cup B\) en \(P(A \cup B)\)
Controleer
\(A \cup B\): som 3 óf product 6. Dat zijn 6 uitkomsten op 36. \(P = \frac{6}{36} = \frac{1}{6}\).
\(A \cap B\) en \(P(A \cap B)\)
Controleer
Oefeningen e, f en g gaan over een standaard kaartspel van 52 kaarten (13 harten, 4 azen).
\(A \setminus B\) en \(P(A \setminus B)\)
Controleer
\(B \setminus A\) en \(P(B \setminus A)\)
Controleer
\(A \cap \overline{B}\) en \(P(A \cap \overline{B})\)
Controleer
Tip: \(\cap\) = ‘en’, \(\cup\) = ‘of’, \(\setminus\) = ‘wel … niet’, een streepje erboven = ‘niet’.
Test jezelf
Tien korte vragen over het hele hoofdstuk. Klik op een antwoord.